1. Het college kan jaarlijks maximaal 10 dagen aanwijzen waarop een vergunninghouder geen gebruik kan maken van een toegewezen vaste ligplaats.
2. Aan de vergunninghouder die op grond van lid 1 geen gebruik kan maken van een toegewezen vaste ligplaats wordt, tenzij de aard van het schip en de beschikbare ligplaatsen het onmogelijk maken, een andere ligplaats toegewezen.
3. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor woonschepen.